Een toets die stopt bij vijf miljoen euro
Een woningcorporatie plant de renovatie van 300 woningen, begroot op 2,3 miljoen euro. Er komt geen adviescollege langs, geen onafhankelijke toetsing gaat aan de start vooraf — dat overkomt alleen rijksprojecten boven de 5 miljoen. De projectleider stelt het plan van aanpak zelf op, de eigen stuurgroep tekent af, en de renovatie start. Niemand controleert of de scope scherp is afgebakend, of de keuze voor renovatie boven sloop-nieuwbouw is onderbouwd, of er een exitstrategie ligt voor het moment dat de aannemer uitvalt.
Waarom de grens bij het bedrag ligt, en niet bij het risico
Die grens van 5 miljoen is geen inhoudelijke keuze over waar faalrisico ontstaat. Onafhankelijke toetsing kost tijd: weken werk van toetsers die dossiers doorspitten, interviews afnemen en een advies opstellen. Dat is te arbeidsintensief om op elk project los te laten, dus wordt de grens bij het financiële beslag gelegd — niet bij de kwaliteit van het plan. Een project van 2 miljoen loopt tegen dezelfde mechanismen aan als een project van 20 miljoen: een scope die tijdens de uitvoering blijkt te schuiven, een conceptkeuze die nooit is afgewogen tegen alternatieven, doelen die een activiteit beschrijven in plaats van een resultaat. De omvang van het budget verandert niets aan de kans dat een van die drie zich alsnog wreekt.
Wat kwaliteit vooraf voorspelt, los van de omvang
De Wereldbank onderzocht ongeveer 1.125 projecten en vond dat 80% van de projecten met een bevredigende kwaliteit vóór de start uiteindelijk succesvol was, tegenover 25% bij een onbevredigende kwaliteit vooraf. Dat verschil zit in de staat van het plan op het moment van de kickoff, niet in het aantal nullen op de begroting. Een project van 2,3 miljoen met een zwak plan draagt statistisch hetzelfde risico als een project van 20 miljoen met een zwak plan — het ene krijgt alleen geen enkele blik van buiten, het andere wel.
Een toets die meeschaalt met elk project
PlanScore toetst het plan van aanpak op zeven bouwstenen en 21 criteria en levert binnen twee minuten een score van 0 tot 21 met een besluitadvies. Dat is geen vervanging van wat een adviescollege bij een rijksproject doet: die diepgang, met dossieronderzoek en interviews over meerdere weken, haalt geen geautomatiseerde toets. Maar het legt wél dezelfde vragen naast een project van 2,3 miljoen als naast een project van 50 miljoen — is de scope afgebakend, is de conceptkeuze onderbouwd, ligt er een exitstrategie — op een schaal waarop onafhankelijke toetsing door mensen economisch nooit zou gebeuren.
Signaal, geen garantie
Een score zegt iets over de uitgangspositie, niet over de uitkomst. Het bewijs achter startklaarheid is correlationeel: een plan dat goed scoort, vertrekt met een gunstiger kans op succes, zonder dat de afloop vastligt. Voor een project onder de toetsingsgrens van 5 miljoen is dat signaal niet minder waard dan voor een project erboven — het is in de praktijk vaak het enige signaal dat er komt. Wie een plan van aanpak schrijft voor een project dat nooit bij een adviescollege terechtkomt, doet er goed aan zelf te checken of de bouwstenen staan voordat de kickoff begint.